De huisriolering, zoals wij die heden ten dage kennen, is een uiterst belangrijk onderdeel van de sanitaire techniek. Zij heeft voor een groot deel bijgedragen tot een aanzienlijke verbetering in de hygiënische toestanden, welke thans bestaan. Bij de levenswijze van alle mensen, ook bij de meest eenvoudige, worden, naast vaste afvalstoffen, ook vloeibaar vuil en verontreinigd water geproduceerd, hetgeen op een of andere wijze moet worden verwijderd of afgevoerd. Deze afvalstoffen kunnen ophopen zodat het riool verstopt. Deze afvalstoffen op het terrein van de woning te werpen, of uit te gieten is wel de meest primitieve methode, welke, naar de begrippen van de hygiëne, thans niet meer toelaatbaar is, maar in de oudheid en lange tijd daarna nog werd toegepast. Tot in de middeleeuwen was het gebruikelijk, het huisvuil, ook het vloeibare en de fecaliën, op de straat voor de woningen te deponeren. De regen, alsmede de ratten, zorgde voor de verdere verwijdering. Soms werden aan de achterzijde van de woningen kuilen of greppels gemaakt, waarin het vuil terecht kwam.
In de 15e eeuw, toen verbodsbepalingen werden uitgevaardigd om fecaliën en urine op de straat te werpen, kwamen de privaten meer in gebruik, soms in de woningen, of in een apart gebouwtje aangebracht. Echter treft men ook vóór het begin van onze jaartelling in verschillende landen sporen van privaten, zelfs met waterspoeling, aan. Zo is bij opgravingen in het paleis van koning Minos bij Canea op Kreta een goed bewaard privaat met waterspoeling blootgelegd. Vermoedelijk had dit privaat een houten zitting, misschien, zoals bij de Romeinen het geval was, voorzien van een houten deksel. Na de val van het Romeinse Rijk werd ook de zorg voor de sanitaire inrichting van de woonhuizen veronachtzaamd, om na de middeleeuwen weer tot enige ontwikkeling te geraken. De geschiedenis van de riolering als zodanig, dus speciaal wat de afvoerkanalen betreft, is zeer oud. De greppels, voor of achter de huizen gegraven, of door het gestadig neerstorten van de vloeibare afval gevormd, gingen allengs over in geplaveide goten, welke het vuil meest naar open water voerden. Weer later werden deze goten overdekt, eerst primitief met een plank, later dichtgemetseld. Het heeft in de verschillende landen soms lang geduurd, voor men hiertoe op grote schaal overging.
Dergelijke overdekte riolen, met een geplaveide bodem en gemetselde wanden en gewelfde overdekking, zijn ook bij opgravingen van steden uit de oudheid verschillende malen teruggevonden, zoals |n de ruïnes van Babel en Ninevé. Te Jeruzalem bestaan nog de riolen, welke in oude tijden het regenen afvalwater van het noordoostelijk stadsgedeelte en de tempelberg naar het Kedrondal, in de nabijheid van Siloah, afvoerden. Zij zijn ‘m de rotsbodem uitgehouwen en ten dele ondergronds aangelegd. Men rekent, dat ze ouder zijn dan de afvoerkanalen in het oude Athene» die onder het Romeinse bestuur meermalen werden uitgebreid en hun inhoud naar het lage land ten zuidwesten van de stad leidden, die daar waarschijnlijk tot bevloeiing van de tuingronden werd gebruikt. Ook in andere oude Griekse steden, als Olympia, Agrigentum en op het eiland Samos zijn de overblijfselen van zulke afvoerkanalen aangetroffen.
Comments Off